
Uit het verleden van Hengelo: Het verdwenen padvindershuis
HistorieIn deel 93 van de serie ‘Uit het verleden van Hengelo’ neemt Marinus van Rooy ons mee naar het verdwenen padvindershuis van Tuindorp.
Hengelo was aan het begin van de 20e eeuw niet veel meer dan een boerendorp. Maar daar kwam verandering in door de ontwikkeling die het als industriestad onderging. Dit mede door de vestiging van een aantal metaalfabrieken, onder andere Stork, Dikkers en HEEMAF. Uit de wijde omgeving van Twente en omstreken kwamen de arbeidskrachten zich melden om in bovengenoemde bedrijven te werken. Een groot deel van de 20.000 inwoners voor 1900 verdiende zijn brood in de textielbedrijven, zoals K.W.F. (Koninklijke Weefgoederen Fabriek) of de N.K.S. (Nederlandse Katoen Spinnerij).
Toen Stork in 1865 de machinefabriek oprichtte werd de woningnood in Hengelo nijpend. Coen Stork, geboren in 1865 en zoon van C.T. Stork, is dagelijks in de fabriek van zijn vader aanwezig. Hij heeft gesprekken met een deel van de arbeiders en wordt deelgenoot van de gebrekkige huisvesting. Door de grote arbeidersgezinnen, van soms wel 10 personen, zijn de woningen met drie kamers zeer klein bemeten. De hygiëne laat te wensen over, het drinkwater komt nog uit de putten en de vochtoverlast, door de lage ligging van Hengelo, is groot.
Coen Stork heeft contacten in Engeland en ziet in de buurt van Liverpool een tuinstad gebouwd waar hij vol bewondering naar kijkt. Bij Coen rijpt het plan dat dit ook voor Hengelo mogelijk moet zijn. Hij ziet in zijn geest Hengelo als Tuindorpwijk waar de arbeider naast de leidinggevende gaat wonen. De achterliggende gedachte was dat de arbeider zich optrekt aan het niveau van de leidinggevende.
Na veel overleg met de H.B.V. (Hengelosche Bouwvereeniging) over onder andere de bebouwing en financiën, wordt de 54-jarige Karel Muller als architect aangesteld. Als assistent wordt de 25-jarige Beudt benoemd.
Ongetwijfeld klinkt u de naam Beudt bekend in de oren. Deze Beudt heeft vele belangrijke projecten in Hengelo tot ontwikkeling gebracht. De eerste steen van het Tuindorp werd gelegd door de dochter van Beudt op 6 mei 1911. De H.B.V. maakte voortgang met de bouwerij. Het moest een wijk worden waar alle lagen van de bevolking zich thuis voelden en waar ruimte en groen aanwezig is. Het was een geweldige vooruitgang waar heel Hengelo over sprak. Iedere huishouding zou beschikken over een eigen watercloset, terwijl men het tot op heden op een tonnetje deed. Deze werd eens per week door de gemeente geledigd. De Hengelose Tuindorpwijk werd een voorbeeld voor de wijde omgeving. Op 23 juli 1914 bezoekt koningin Wilhelmina het Tuindorp en spreekt haar bewondering uit voor de bouw en omgeving.
Op enkele plaatsen is de rooilijn van de bebouwing te laag en moet ophoging plaatsvinden. De oplossing wordt gevonden in grondafgraving waardoor het Tuindorpbad ontstond.
In de jaren ’20 maakte de scouting, overgewaaid uit Engeland, grote opgang in Nederland. Hengelo kon niet achterblijven. Dirk Willem Stork nam het initiatief en Anton Beudt, aangestuurd door burgemeester Tonckens, ontwierp een padvindershuis aan de vijver. Op 15 november 1924 wordt het huis geopend en bevolkt door 200 jongens en meisjes.
Al gauw krijgt dit padvindershuis een bijnaam: ‘De hut van oom Tom’. Deze naam was afkomstig van Anton Beudt. Een groot aantal jaren heeft het scoutingwerk hier zijn zegenrijke werk verricht. Maar na een groot aantal jaren komt er een kink in de kabel. Tijdens de Duitse bezetting van 1940-1945 wordt het scoutingwerk verboden. Het huis is enige tijd leeg tot de SS haar oog erop laat vallen en er haar hoofdkwartier in wil vestigen. Het was hen ter ore gekomen dat er op het Tuindorp een groot aantal joden ondergedoken waren. Een aantal bewoners van het Tuindorp besloten het padvindershuis af te breken in het weekend en tot brandhout te verwerken. De achtergrond van dit alles was dat voor iedere gearresteerde jood een geldbedrag werd betaald, het zogenaamde kopgeld. Dit was eerst 25 gulden en later 150 gulden. U begrijpt dat een aantal joden hun leven te danken hebben door de tijdige afbraak van ‘De hut van oom Tom.’
Tot een volgende keer,
Marinus van Rooy







